Een bijzondere Romeinse munt uit AntiochiŽ gevonden te Vianen bij Cuijk

Rob Reijnen

Op het terrein de Flierenhof  te Vianen zijn vorig jaar onder meer 2 Romeinse munten gevonden, niet al te ver van elkaar af.

De munten zijn gevonden door Jan Kusters op een zandrug akker langs een eeuwen oude geul van de Maas.

De ene is een sestertius (de grootste bronzen muntsoort in de vroege- en midden-Romeinse tijd ter waarde van 4 assen) geslagen ten tijde van keizer Hadrianus, die regeerde van 117 tot in 138 na Chr. De munt žs zo sterk afgesleten dat op de keerzijde helemaal niets te herkennen is, en op de voorzijde alleen het hoofd van de keizer. Deze is echter nog duidelijk genoeg om te kunnen vaststellen dat het niet een vroeg portret van Hadrianus is zoals die op munten uit de eerste jaren van de keizer voorkomt. De munt kan op basis daarvan gedateerd worden in de jaren 119 tot en met 138 na Chr. Hij moet geslagen zijn te Rome. Maar een meer nauwkeurige determinatie is helaas niet te geven, omdat de letters van de randschriften op beide zijden geheel verdwenen zijn. Blijkbaar is de munt lange tijd gebruikt voordat deze in de bodem terecht kwam.

Hetzelfde geldt voor de tweede munt. Ook deze is nauwelijks leesbaar. Alleen op de keerzijde zijn midden in het veld nog net de letters SC zichtbaar binnen een lauwerkrans. Op de voorzijde is het hoofd van keizer Trajanus (98-117 na Chr.) met enige moeite te herkennen. Deze is getooid met een stralenkrans, in de Romeinse keizertijd het kenmerk voor een munt met een dubbele waarde. Gewoonlijk hebben we dan te maken met een dupondius, een muntsoort met de waarde van 2 assen. In die richting wijst ook het materiaal waarvan deze munt gemaakt is, n.l. geelkoper of orichalcum, een koperlegering met zink die voor die gele kleur zorgt. In de keizertijd was dit geelkoper ruim de helft duurder dan roodkoper dat voor de as gebruikt werd. Vooral in de eerste en tweede  eeuw na Chr. werden dupondii van dit materiaal gemaakt om daarmee het verschil in waarde aan te geven. Echter niet alleen het formaat van de munt is voor een dupondius wat aan de kleine kant, maar vooral het gewicht is veel te laag voor deze muntsoort. Dan blijft over een munteenheid die in ons gebied veel minder voorkomt, n.l. de semis, met de waarde van een halve as. Ook hiervan zijn emissies bekend in geelkoper. En de stralenkrans geeft dan de dubbele waarde aan van een quadrans, de kleinste munteenheid in het Romeinse geldsysteem die gelijk stond aan ľ as. Maar voor een semis is de munt juist weer te groot en te zwaar. Vandaar dat over de waarde van de munt verschillend gedacht wordt.

Het antwoord op de vraag wat de munt oorspronkelijke waard was moet dan ook gezocht worden in het oostelijk deel van Romeinse rijk. Want daar lijkt de munt vandaan te komen, en niet uit Rome zelf, zoals de meeste munten van keizer Trajanus die in onze streken gevonden zijn. Tegenwoordig wordt aangenomen dat de munt geslagen is te AntiochiŽ , destijds hoofdstad van de Romeinse provincie SyriŽ, het tegenwoordige Antakya in Turkije. Hij wordt gedateerd in 116 na Chr, toen Trajanus daar zijn residentie had.

Belangrijker nog dan na te gaan welke rol de munt dŠŠr heeft gespeeld, is de vraag welke waarde de munt in onze streken heeft gehad en of die hier wel als munt gebruikt is. Te licht voor een dupondius, maar te zwaar voor een semis, betekent dat alleen een as overblijft. Maar vŠn geelkoper en mťt stralenkrans steekt deze toch wel vreemd af tegen de as die hier normaal gebruikt werd.      

Het meest opvallende aan deze munt is dat deze bovendien ook nog een klop bevat. Het gebruik van kloppen of  tegenmerken, zoals we deze ingeslagen stempels ook noemen, komt in de westelijke provincies alleen maar voor tot in de regeringstijd van keizer Nero (54-68 na Chr.).  Daarna niet meer. In de oostelijke provincies daarentegen werden op lokaal niveau kloppen zeker nog tot in de tweede eeuw na Chr. gebruikt om munten langer in omloop te houden of een nieuwe waarde te geven. Reden te meer om hier aan een munt uit het oosterse geldcircuit te denken. De klop op de voorzijde achter het hoofd van de keizer stelt de kop van een os (bucranium) voor. Hij wordt toegeschreven aan legio III Gallica, dat altijd in het oosten van het Rijk gelegerd is geweest.

Voor zover bekend zijn munten van dit type in onze streken nog vrij zeldzaam en al helemaal  met die klop. Uit Engeland waren er eind jaren 80 maar zoín 20 stuks bekend, waarvan verreweg de meeste in Bath gevonden zijn. Drie daarvan hebben dezelfde klop. Op het vasteland hadden Duitsland, Luxemburg en Oostenrijk bij elkaar toen nog maar 13 exemplaren opgeleverd. Van de negen munten uit Luxemburg hadden er twee deze klop. Verder was er uit Noord-Frankrijk nog 1 exemplaar met klop bekend. En in het muntenbestand van het Koninklijk Penningkabinet is dit type niet aanwezig.

Het lijkt er op dat dit soort munten niet via de gewone kanalen van het dagelijkse geldcircuit in onze streken terecht is gekomen. Men denkt dat het voorkomen daarvan eerder te maken heeft met de verplaatsingen van de speciale keizerlijke troepen van Trajanusí opvolger Hadrianus. Waarschijnlijk heeft die langs deze directe weg extra geld in omloop gebracht in Engeland, Noord-GalliŽ en GermaniŽ, mogelijk om locale geldcirculatie te stimuleren. Of  er in Vianen ook daadwerkelijk soldaten uit die kringen zijn geweest, is daarmee echter niet aangetoond. Gezien hun slijtage kan het best zo zijn dat beide munten pas veel later daar terecht zijn gekomen. Maar bijzonder blijft deze munt wel.     

Voor de volledigheid volgen hier nog de handboeknrs. van de munten:

-         As van Trajanus (98-117 na Chr.) , RIC 644/648

-          Sestertius van Hadrianus (117-138 na Chr.), RIC 631 e.v.

 

Terug